Genomineerden Wetenschap Award NAPA 2020

De volgende studenten zijn genomineerd voor de PA Wetenschapsaward 2020. De winnaar wordt bekend gemaakt tijdens PA Invest.

Tommy Bunte
Hogeschool Utrecht: analyse van de correlatie tussen fMRI, FVC, pCO2 en ademhalingssymptomen bij patiënten met Amyotrofische Laterale Sclerose (ALS).

Veel ALS-patiënten ondervinden respiratoire insufficiëntie, een groot deel van hen overlijdt daar uiteindelijk aan. Een meetinstrument om de achteruitgang van de respiratoire functie te meten, dat zowel het PZS als het CZS omvat en ook inzicht geeft in ziekteprogressie en overleving, is nog niet beschikbaar. In dit onderzoek is de potentie van functionele magnetische resonantiebeeldvorming (fMRI) onderzocht om de achteruitgang van de ademhalingsfunctie te meten voorafgaand aan veranderingen in de test van de geforceerde vitale capaciteit (FVC), bloedgasanalyses of hypoventilatiesymptomen om de rol van het CZS bij respiratoire achteruitgang inzichtelijk te maken. In het cohort van 33 ALS-patiënten was sprake van een significant verschil tussen patiënten met en zonder respiratoire achteruitgang. De daling van de FVC-test correleerde significant met veranderingen op de fMRI.

Geertje Hofstra
Hanzehogeschool Groningen: samenhang tussen het allergisch event, specifiek immunoglobuline E en de uitkomst van een dubbelblinde, placebogecontroleerde voedselprovocatie.

De dubbelblinde, placebogecontroleerde voedselprovocatie (DBPGVP) voor het diagnosticeren van een voedselallergie is de gouden standaard maar is ook duur, tijdrovend en risicovol. Verondersteld wordt dat er in een specifieke populatie een associatie bestaat tussen een positief serum specifiek immunoglobuline E (sIgE) evenals acute en objectieve klachten tijdens allergisch event (AE) en een positieve uitkomst van de DBPGVP. De studiepopulatie van deze retrospectieve studie bestond uit kinderen die zowel een AE als een DBPGVP voor hetzelfde voedingsmiddel hebben gehad (N=243). Het voedingsmiddel betrof altijd een noot of pinda. De aanwezigheid van sIgE (p < 0,001, OR 14,731) en de somscore van objectieve symptomen bij het AE (p < 0,01, OR 2,027) bleken onafhankelijk samen te hangen met de uitkomst van de DBPGVP. Verder onderzoek naar de diagnostische waarde van een potentieel predictiemodel is nodig.

Eline Kamp
Hogeschool Inholland Amsterdam: wat is de diagnostische accuratesse van echografie ten opzichte van MRI bij patiënten met een verdenking op een rotatorcuffruptuur, met artroscopie als referentietest?

Middels retrospectief dossieronderzoek is bovenstaande onderzoeksvraag op de afdeling Radiologie van de Noordwest Ziekenhuisgroep in Alkmaar onderzocht. Uit de resultaten van dit onderzoek blijkt dat echografie nauwkeuriger is in het vaststellen van een rotatorcuffruptuur in vergelijking met MRI. Daarom wordt de beeldvorming bij patiënten met de verdenking op een rotatorcuffruptuur op de afdeling Radiologie aangepast. Bij een echografisch vastgesteld rotatorcuffruptuur volgt een verkort MRI-protocol van de schouder om spieratrofie te beoordelen. Dit betekent meer comfort voor patiënten, snellere doorstroming en vlottere behandeling.

Merel Hoogendorp
Hogeschool Rotterdam: prognostische factoren voor falen van Sleep Position Therapy bij volwassenen met licht en matig positieafhankelijk slaapapneu.

Ondanks dat uit verschillende klinische studies is gebleken dat Sleep Position Therapy (SPT) een effectieve therapie is voor patiënten met licht en matig obstructief slaapapneu, vallen de resultaten in de praktijk tegen. De indruk bestaat dat er vaker sprake is van falen van de SPT dan beschreven is in de literatuur, echter is dit niet geobjectiveerd. Ook is het onduidelijk welke factoren hierop precies van invloed zijn. Een retrospectief, kwantitatief statusonderzoek toont aan dat bij circa driekwart van de patiënten sprake is van falen van de SPT. Het ervaren van stress en het percentage rugligging tonen een associatie met het falen van de therapie. Op basis hiervan wordt aanbevolen om deze resultaten voorzichtig te gebruiken om de kans op slagen van SPT in te schatten.

Sjoerd Franssen
Hogeschool Arnhem en Nijmegen: Echografie als diagnosticum bij gewrichtsbloedingen

In samenwerking met verpleegafdeling Hematologie heeft Franssen een kwaliteitsbevorderend project opgezet voor volwassen patiënten met stollingsstoornissen zoals hemofilie en de ziekte van Von Willebrand. Franssen berekende dat er jaarlijks 60.000 euro bespaard zou kunnen worden als het project tot uitvoering zou worden gebracht via ‘Betaalbaar beter’, de meerjarige kwaliteitsalliantie tussen het Radboudmc en zorgverzekeraar VGZ. Van de beurs van 10.000 euro die hem op basis hiervan werd toegekend, is een echoapparaat aangeschaft en is scholing gegeven, zodat bij iedere patiënt met de verdenking op een spier- of gewrichtsbloeding laagdrempelig beeldvorming gedaan kan worden. Dit levert naast een kostenreductie – doorverwijzen naar de afdeling Radiologie hoeft niet meer – een kwaliteitsverbetering op, doordat patiënten altijd direct een diagnose krijgen, één professional zien en een verkorte wachttijd hebben. Om het gebruik en de noodzaak van het echoapparaat meer body te geven, verrichtte Franssen tijdens zijn afstudeeronderzoek een literatuuronderzoek naar het effect van het echoapparaat. De uitkomsten waren positief en laten zien dat de toepassing van echografie van meerwaarde is.